1987 • Centraal Museum

Utrecht

 

Architectuur van massa en gewichtloosheid

 

In opdracht van de K.F. Hein Stichting/ROVU maakte een belangrijke ingreep het voormalige stallencomplex – naast het Centraal Museum -  geschikt als tentoonstellingsruimte. In het onderste deel van de mansardekap werd een glasstrook aangebracht die visueel werkt als een traditionele zinken dakbekleding. Door deze lichtstrook direct boven de wanden waaraan schilderijen hangen, ontstaat haast vanzelfsprekend de ideale diffuse en reflexvrije museumverlichting.

 

Het complex, dat begin 19de eeuw gebouwd werd, bestond uit een hoofddeel in het midden met twee zijdelen en een dwarsvleugel. Ieder deel was voorzien van een ingang. Deze paleisachtige opzet bleek in zijn hoofdvorm een streng formeel stelsel van assen te hebben. Het is ontworpen op basis van het traditionele proportiesysteem, maar nu, als één van de eerste gebouwen, met de door Napoleon ingevoerde meter als maat.

 

Radicale aanpak

 

De in slechte staat van de gebouwen en het omvangrijke ruimteprogramma leidden tot een radicale aanpak: achter de gevels werd alles gesloopt, zodat niet hoefde te worden gevreesd voor onvoorziene tegenvallers. De hoofdvorm en haar massawerking zijn behouden en waar nodig hersteld. Alleen het middendeel heeft een ingang; in de zijvleugels is door middel van driehoekige insnijdingen slechts een verwijzing naar de vroegere ingang aangebracht. Beeldend kunstenaar Peter Struyken verzorgde voor de gevels een verbinding tussen architectuur en beeldende kunst door middel van de gekleurde uit de buitenmuur tevoorschijn komende panelen, als een moderne vorm van decoratie.

 

Ontdekken

 

Het uiterst krappe budget maakt een zeer sobere aanpak noodzakelijk. Onder de nieuwe dakconstructie van gelijmde houten spanten zijn de depots gesitueerd. De vleugels werden verbonden door doorbraken waarin tussenvloeren zijn aangebracht. Deze kunnen de bezoeker op zijn terugweg nog iets laten ontdekken wat hij op de heenweg niet had opgemerkt: vanaf de entresols, waar kleine objecten en grafiek geëxposeerd wordt, kan mooi op de zalen en naar buiten gekeken worden.

 

Jos Roodbol in de Architect, juli/augustus 1987: 'Het lijkt me, dat bij de verbouwing van de Stallen het gewicht juist uit het gebouw is gehaald en dat daarvoor in de plaats licht en oppervlak zijn gekomen. In dit opzicht sluit zijn werk dus aan bij dat van de Japanse architecten Ito en Hasegawa. Terwijl Ito's 'oppervlakkigheid' gerelateerd kan worden aan het oppervlak en de oppervlakkigheid van de stedelijk conditie, is het oppervlak bij Van Schijndel als het grensvlak van een kubistische plastiek, een uit de massa weggehaalde ruimte.' Doorlezen:

 

Publicatie: 1987 de Architect

terug naar overzicht